De dag dat Jezus Christus als Zijn Zoon door God de Vader verwekt werd en de uitnemender Naam als erfdeel ontving.

Psalm 2:7 
Ik wil gewagen van het besluit des HERE,

Hij sprak tot Mij: MIJN ZOON ZIJT GIJ: IK HEB U HEDEN VERWEKT.

Handelingen 13:32 
En wij verkondigen u, dat God de belofte, die aan de vaderen geschied is, aan ons, hun kinderen, vervuld heeft door Jezus op te wekken, gelijk in de tweede Psalm geschreven staat: "MIJN ZOON ZIJT GIJ; IK HEB U HEDEN VERWEKT".
Hebreeën 1:4 
zoveel machtiger geworden dan de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft. Immers, tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd: MIJN ZOON ZIJT GIJ; IK HEB U HEDEN VERWEKT?
Hebreeën 5:5 
Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer toegekend Hogepriester te worden, maar Hij, die tot Hem 
sprak: MIJN ZOON ZIJT GIJ;IK HEB U HEDEN VERWEKT.

Inleiding:

Jezus Christus ontving, zoals Hebreeën 1:4 aangeeft, van God de Vader Zijn "uitnemender naam" als erfdeel. Bij al wat Hem verder als erfdeel ten deel viel, behoort ook de naam, die uitnemender is dan alle andere namen. Zijn naam is uitnemender dan die van mensen en engelen. Alleen Hij, die de afstraling van Zijn Vader en de afdruk van Zijn wezen is, die alle dingen draagt door het Woord Zijner kracht, ontving van Zijn Vader de naam, die overeenkomt met Zijn heerlijkheid, eer, waardigheid en gezag. De Hem gegeven naam stemt daarmee overeen.

Wanneer ontving Jezus Christus Zijn uitnemender naam?

Het is onjuist te veronderstellen, dat Jezus Christus iets als erfdeel ontving, eer Hij de hemel verliet. Voor Zijn komst op de aarde bezat Hij al alles. Alles behoorde Hem als de Schepper ervan toe. Het werd ook tot Hem geschapen. Ook dat alles Hem toebehoorde, legde Hij af voor Zijn komst op de aarde. Ook daarvan ontledigde Hij Zich. Daarom staat er, dat Hij Zijn uitnemender naam als erfdeel ontving op de dag dat Zijn Vader tot Hem zei: "MIJN ZOON ZIJT GIJ; IK HEB U HEDEN VERWEKT". Wanneer was de dag, waar het woord "heden" op doelt en Hem Zijn uitnemender naam als erfdeel gegeven werd?

Het Griekse woord voor “verwekt worden”.

Ten opzichte van de opstanding van Jezus Christus is naar Handelingen 13 : 32 en 33 niet alleen sprake van “opwekken”. Het gaat verder dan dat. Ook is er sprake van “verwekt worden”. Dat naar het Griekse woord “gennao”. Daarbij ging het, zoals bovenstaande teksten bij herhaling aangeven, om Zijn verwekt worden door Zijn Vader. Het werkwoord “gennao” betekent geboren doen worden, verwekken of baren. Wanneer een man de handeling van “gennao” verricht, moet worden gedacht aan verwekken om geboren te doen worden. Het woord “gennao” wordt ook gebruikt voor geestelijk verwekt worden of zijn van hen, die kind van God zijn. In betreffende teksten staat, dat God de Vader Jezus Christus als Zijn Zoon verwekte.

Wanneer werd Jezus Christus door Zijn Vader verwekt?

De man heeft in zich, zonen en dochters te verwekken en daarin vader te worden. We vragen ons af, wanneer was de dag, dat Jezus Christus door Zijn Vader verwekt werd en Hij tot Hem zei: “MIJN ZOON ZIJT GIJ; IK HEB U HEDEN VERWEKT”. Daarin zijn verschillende mogelijkheden.

  • 1. Een dag in de tijd voor of van de grondlegging van de wereld
Johannes 1:1 
In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het 2 Woord was God. Dit was in den beginne bij God.

“Dit was in den beginne bij God” of “Zo was het in het begin bij God”. In het begin was bij God geen andere situatie, dan dat Hij, die het Woord is, bij God was. Er was daarom in het begin geen dag, dat Jezus Christus er niet was. Hij was al bij Zijn Vader. Er was daarom in het begin geen sprake van een dag, waar-op Jezus Christus door Zijn Vader verwekt zou zijn geworden.

Sommigen menen, dat Jezus Christus voor de grondlegging van de wereld, eer Hij op de aarde verscheen, op bepaalde dag door Zijn Vader verwekt werd. Dat zou inhouden, dat er een tijd moet zijn geweest, dat Hij er niet was en God de Vader geen Zoon had. Dat is niet de waarheid. De eerste teksten van het evangelie naar Johannes leren, dat Hij altijd was en er geen dag was, dat Hij als Zijn Zoon door God de Vader verwekt zou zijn geworden. Van Hem staat, dat Hij als het Woord altijd bij Zijn Vader was en als het Woord ook steeds zelf God was.

  • 2. De dag van de geboorte van Jezus Christus op de aarde

Ook werd Jezus Christus niet voor Zijn geboorte te Bethlehem als Zijn Zoon door God de Vader verwekt. Hij was al Zijn Zoon en kwam als Zijn Zoon naar de aarde. Dat Hij bij de maagd Maria door de Heilige Geest verwekt werd, was om als Zoon des mensen geboren te worden. De volgende tekst laat zien, dat Hij al was en Hem door Zijn Vader slechts een lichaam bereid werd, om als mens op de aarde te verschijnen.

Hebr.10:5 
Daarom zegt Hij bij Zijn komst in de wereld: Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid.

Jezus Christus was eer Hij als mens op de aarde geboren werd. Hij was al voor Zijn vleeswording. In Zijn vleeswording was het, dat Hij als het Woord vlees of mens werd en als zodanig op de aarde heeft gewoond.

Johannes 1:14 
Het Woord is vleesgeworden en het heeft onder ons gewoond
  • De verhoging van Jezus Christus

Naar een commentaar van de studie Bijbel van “In de Ruimte” staat onder Handelingen 13 : 33, dat het om het “gesteld worden in een hoge positie” ging. Het woord “heden” zou wijzen op de tijd, die met de komst van de Messias is begonnen en in de opwekking van Jezus uit de dood beslag heeft gekregen.

  • Een toekomstig gebeuren met het volk Israël

  • Naar opnieuw een commentaar in de studie Bijbel van “In de Ruimte” staat onder Hebreeën 1 : 5, dat met het woord “heden” gedoeld wordt op de Messiaanse tijd.

Het woord “heden” zou gelijk zijn aan “de laatste dagen”. Het is opvallend, dat de studie Bijbel onder genoemde teksten geen gelijkluidend commentaar geeft, terwijl beide teksten uitgaan van wat in Psalm 2:7 profetisch werd voorzegt.

Het "MIJN ZOON ZIJT GIJ; IK HEB U HEDEN VERWEKT" heeft niet met een bepaalde dag voor of van de grondlegging van de wereld of de dag van Zijn geboorte op de aarde te maken. Het heeft ook niet met Zijn verhoging te maken, alhoewel die er onmiddellijk op volgde. Vervolgens heeft het ook niet met de toekomst van Israël te maken. Hij, die al was en in de toekomst altijd zal zijn, hoefde niet in het begin en hoeft niet in de toekomst op zekere dag door Zijn Vader verwekt te worden.

"MIJN ZOON ZIJT GIJ; IK HEB U HEDEN VERWEKT" heeft met de opstanding van Jezus Christus te maken.

Naar de boven de studie staande teksten komt het “MIJN ZOON ZIJT GIJ; IK HEB U HEDEN VERWEKT” viermaal in Gods Woord voor. In Psalm 2 gaat het om de profetische voorzegging ervan. Naar die voorzegging werd Jezus Christus door Zijn Vader de belofte gegeven, dat Hij naar Zijn besluit tot Hem zou spreken: “MIJN ZOON ZIJT GIJ; IK HEB U HEDEN VERWEKT. 
De voorzegging geeft aan, dat het verwekken van Zijn Zoon toen nog een toekomstig gebeuren zou zijn. Het was niet in de eeuwigheden daarvoor. Naar de teksten uit Handelingen 13 heeft het met Zijn opstanding te maken. Op de dag van Zijn opstanding ging voor Jezus Christus deze belofte in vervulling. Toen Zijn Vader Hem naar Zijn ziel deed opstaan uit het dodenrijk, werd Hij daarin door Hem verwekt. Op de dag van Zijn opstanding kwam Hij opnieuw tot leven. En alleen wanneer de zoon er niet is, kan hij door zijn vader verwekt worden. Zo was het met God de Vader ten opzichte van Zijn Zoon. Ook de schrijver van de brief aan de Hebreeën gaf aan, dat de belofte van de tweede Psalm in vervulling ging bij de opstanding van Jezus Christus. In het eerste en vijfde hoofdstuk van deze brief werd de belofte in deze aangehaald.

Waarom verwekte God de Vader Zijn Zoon op de dag van Zijn opstanding?

Hebreeën 2:9 
maar wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond.

Van de tijd, gelegen tussen het sterven en de opstanding van Jezus Christus, valt van God de Vader te zeggen, dat Hij geen Zoon had. Zijn Zoon stierf vanwege onze zonden en ongerechtigheid en dat niet alleen de lichamelijke dood. Ook de geestelijke dood. Daarom moest God de Vader Zich Zijn Zoon verwekken. Zijn opstanding had met Zijn verwekt worden te maken. Hij stond daarom niet alleen naar het lichaam op uit de dood. Ook naar Zijn ziel stond Hij op. Dat uit het dodenrijk. Daarin had God de Vader opnieuw Zijn Zoon, in Wie Hij Zijn welbehagen heeft.

Handelingen 2 : 26-27 
daarom is Mijn hart verheugd en Mijn tong verblijd, ja, ook Mijn vlees zal nog een schuilplaats vinden in hope, omdat Gij Mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten, noch Uw Heilige ontbinding doen zien.

Wanneer we aan de opstanding van Jezus Christus denken, staan we vaak alleen bij Zijn lichamelijke opstanding stil. Het was echter niet alleen in Zijn lichamelijk sterven, dat Jezus Christus onze zonden uitdelgde. Toch menen velen, dat Hij alleen de lichamelijke dood stierf en Zijn Vader Hem alleen naar het lichaam uit de dood deed opstaan. Er vond meer plaats. Hij ondervond buiten Zijn lichamelijk sterven ook die andere dood.
Wanneer Gods Woord over “sterven” en "dood" spreekt, wordt daar niet altijd “het lichamelijk sterven” en “de lichamelijke dood” mee bedoeld. Het doelt veelal op “geestelijk sterven” en “de geestelijke dood”. Vanwege onze zonden en ongerechtigheid is voor allen sprake van “geestelijk dood zijn”. De geestelijke dood. Dood voor God in de zin van voor eeuwig van Hem gescheiden zijn. In Zijn sterven en dood onderging Jezus Christus ook “het geestelijk sterven” en “de geestelijke dood”. Hij onderging ze om ons ervan te behouden. Dat Hij in “Zijn geestelijk sterven” en “Zijn geestelijke dood” naar Zijn ziel van God de Vader gescheiden was, was vanwege ons. Vanwege onze zonden en ongerechtigheid riep Hij al aan het kruis: "Mijn God, Mijn God waarom hebt Gij Mij verlaten?" Al gedurende Zijn lijden aan het kruis wist Jezus Christus van Zijn Vader verlaten of gescheiden te zijn. In Zijn sterven voltrok zich ook Zijn geestelijke dood. De volgende teksten spreken dan ook over Zijn geestelijke dood en geven aan, dat ook die dood het gevolg van onze zonden en ongerechtigheid was. Ook staat er, dat Hij, die voor Zichzelf geen zonden kende, voor ons tot zonde werd om ons te behouden van de eeuwige dood.
Na Zijn kruisdood was Jezus Christus van Zijn Vader verlaten vanwege onze zonden en ongerechtigheid. Was Hij zonder Vader en was de Vader zonder Zoon.

Efeziërs 2:1 
ook u, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden
Efeziërs 5 
ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus - door genade zijt gij behouden
2 Cor. 5:21 
Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.

Jezus Christus onderging zowel de lichamelijke – als de geestelijke dood. Het was daarom, dat Hij niet alleen van Zijn Vader gescheiden was. Het was erger dan dat. Vanwege zowel Zijn lichamelijke en geestelijke dood had Zijn Vader geen Zoon meer. Het lichaam van Jezus Christus, het stoffelijke, werd begraven. Ook daalde Hij naar Zijn ziel, het onstoffelijke, af naar lagere aardse gewesten. Het dodenrijk. Wat Zijn lichaam betreft, was er geen sprake van ontbinding en wat Zijn ziel betreft, werd Hij niet aan het dodenrijk overgelaten.

Psalm 16:10 
Want Gij geeft Mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk, noch laat Gij Uw Gunstgenoot de groeven zien.
Handelingen 13:35 
en daar zegt Hij ook in een andere psalm: Gij zult Uw Heilige geen ontbinding doen zien.
Mattheüs 12:40 
Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon de mensen in het hart der aarde zijn, drie dagen en drie nachten.
1 Petrus 3:19-20 
in welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam geweest 
waren Want daartoe is ook aan de doden het evangelie gebracht

Het dodenrijk, de plaats van eeuwige duisternis en God verlatenheid, is de plaats waar we vanwege onze zonden en ongerechtigheid naar gedoemd waren af te dalen. Daarin zou voor ons de eeuwige dood zijn. Naar onze ziel zouden we daarin voor eeuwig verloren zijn geweest. De geestelijke dood hoeven we niet meer te vrezen, omdat Jezus Christus die dood voor ons onderging. Door het geloof in Hem en in wat Hij voor ons in Zijn lijden en sterven volbracht, ontkomen we aan de geestelijke dood. Het voor eeuwig van God gescheiden zijn.

Jezus Christus werd naar Zijn ziel niet aan het dodenrijk overgelaten. Hij stond niet alleen naar Zijn lichaam maar ook naar Zijn ziel op uit de dood. Of liever gezegd: tussen de doden uit. Naar Zijn lichaam werd Hij opgewekt uit de dood. Naar Zijn ziel werd Hij door Zijn Vader verwekt. Hij wekte Hem niet slechts op uit de lichamelijke dood. Het gaat verder dan dat. Hij verwekte Zich Zijn Zoon.

Jezus Christus daalde plaatsvervangend af naar de gevangenis of plaats van de eeuwige dood. Hij daalde af in het dodenrijk. Hij voldeed voor ons aan de rechtseis van God. Nadat Hij daaraan had voldaan, deed Zijn Vader Hem naar Zijn lichaam opstaan uit de lichamelijke dood en naar Zijn ziel uit de geestelijke dood. Toen Hij vanwege onze zonde en ongerechtigheid naar Zijn ziel van Zijn Vader gescheiden was, was Zijn Vader van Hem gescheiden. Door voor ons de geestelijke dood te ondergaan, had Zijn Vader na Zijn sterven geen Zoon meer. In Zijn opstanding uit het dodenrijk verwekte Zijn Vader Zich Zijn Zoon. Op de dag van Zijn opstanding zei Zijn Vader tot Jezus Christus: "MIJN ZOON ZIJT GIJ; IK HEB U HEDEN VERWEKT", kon Hij Hem uitermate verhogen en het Hem toekomende erfdeel doen ontvangen.

Hebreeën 2:7-8 
Gij hebt Hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld, met heerlijkheid en eer hebt Gij Hem gekroond, alle dingen hebt Gij onder Zijn voeten onderworpen.

Onze zonden en ongerechtigheid werden niet mee opgewekt uit de dood.
Jezus Christus bracht in Zijn lijden en sterven onze zonden en ongerechtigheid in de dood. Daarin ondervond Hij niet alleen de kruisdood. Ook daalde Hij af naar lagere aardse gewesten. Zowel Zijn kruisdood als Zijn afdalen in het dodenrijk waren om onze zonden en ongerechtigheid uit te delgen. Ons er vrij van te maken. We kunnen niet menen, dat, toen Zijn Vader Hem verwekte, Hem naar Zijn ziel deed opstaan uit het dodenrijk en naar Zijn lichaam uit het graf, Hij daarin onze zonden en ongerechtigheid met Hem deed opstaan. Slechts Zijn lichaam stond op uit het graf en slechts Zijn ziel werd niet, zoals het er staat, aan het dodenrijk overgelaten. 
Wanneer we onze zonden en schuld belijden en er berouw over tonen, ondervinden we, dat we er vrij van komen. Vrij omdat Jezus Christus in onze plaats de kruisdood stierf en in onze plaats naar Zijn ziel in het dodenrijk afdaalde.

De uitnemender naam, die Jezus Christus na Zijn verwekking als erfdeel ontving.

Jezus Christus ontving van Zijn Vader het Hem toekomende erfdeel. Alles viel Hem ten deel. Hem viel ook heerlijkheid en eer ten deel en de plaats in de troon bij Zijn Vader. Hij werd door Hem gekroond met eer en heerlijkheid. Alles werd aan Hem onderworpen. Bij dat alles behoort ook Zijn uitnemender naam. Al die naam geeft aan, dat alles Hem ten erfdeel viel. In het dragen van die naam is, dat allen zich voor Hem zullen buigen en de eer zullen geven, die Hem toekomt. In de hemel zijn engelen met uitnemende namen. Aan hen werd groot gezag gegeven. Hun namen komen overeen met het gezag, dat ze uitoefenen. Er zijn namen van engelen zoals Michaël en Gabriël. Jezus Christus werd voor korte tijd beneden de engelen gesteld vanwege het lijden en de dood, zoals Hij voor ons zou ondergaan. Nadat Hij door Zijn Vader verwekt was, ontving Hij een uitnemender naam dan engelen dragen. Daarin zijn de engelen opnieuw aan Hem onderworpen. In zowel het Oude- als Nieuwe Testament gelden bepaalde namen van mensen als uitnemende namen. We lezen van namen zoals Abraham, Izaäk, Jacob, Mozes, Elia en de apostelen. Aan Jezus Christus werd een uitnemender naam gegeven en dat houdt in, dat zij zich voor Hem zullen buigen en Hem zullen erkennen als de Heer, die alle macht over hen heeft. Ze buigen zich neer voor Hem, die aller Heer is. Ook op de aarde gelden bepaalde namen als uitnemende namen. Er zijn de namen van de grootten van de aarde. Jezus Christus ontving de naam, die uitnemender is dan hun namen. Voor Zijn naam zullen allen in de hemel, allen op de aarde en allen onder de aarde zich ootmoedig buigen. Hij is nu in de troon van God Zijn Vader en gekroond met eer en heerlijkheid. Al vanaf de dag, dat Zijn Vader Hem verwekte, draagt Hij Zijn uitnemender naam. Omdat het gebeuren in en met de wereld nog tot voltooiing moet komen, wacht Jezus Christus tot allen aan Zijn voeten onderworpen zijn, ze Zijn uitnemender naam erkennen en zich voor Hem neerbuigen.

Hebreeën 1:13 
Zet U aan Mijn rechterhand totdat Ik Uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor Uw voeten.

Jezus Christus gaf de Zijnen, die kind van God zijn, het voorrecht te handelen in Zijn naam, zodat we in en door Zijn naam overwinnend kunnen strijden tegen wat ons vanwege de satan en zijn koninkrijk aanvalt. In Zijn uitnemender naam werd ons de overwinning gegeven en alleen in die naam is redding en uitredding en zijn we voor eeuwig behouden.

Na het sterven intrek nemen bij de Here.

2 Cor. 5:1 
Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. Want hierom zuchten wij; wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden
2 Cor. 8 
maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen.

Veel gelovigen vragen Zich af, wat na hun sterven met hun ziel gaat gebeuren. Dalen we naar onze ziel af naar het dodenrijk? Wacht ons een vagevuur, zoals de Rooms Katholieke Kerk dat leert? Neen! Wanneer we in en van Jezus Christus zijn, we wedergeboren zijn en we ons geloof op Jezus Christus gesteld hebben, wacht ons eeuwige hoop. Wacht ons een gebouw van God in de hemel niet met handen gemaakt. Een eeuwig huis. Wacht ons een toekomst, die beter is dan wat we nu vanwege ons verblijf in het lichaam op de aarde ondervinden. We nemen intrek bij de Here.
Jezus Christus daalde niet vanwege Zichzelf maar plaatsvervangend af naar het dodenrijk. Het was voor ons en dat niet voor niets. Omdat Hij in onze plaats naar de plaats ging, waar wij vanwege onze zonden en ongerechtigheid voor eeuwig zouden moeten zijn, kwamen wij er vrij van. Zijn we ervan behouden. Gaan we naar een andere plaats. Een gebouw van God. Nemen we intrek bij de Here. Daarop hopend haken we ernaar, met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden en ons verblijf in het lichaam te verlaten. Prijst God! We zijn, door wat Jezus Christus voor ons volbracht in Zijn lichamelijk sterven en Zijn afdalen in het dodenrijk, voorbestemd na ons lichamelijk sterven de hemel binnen te gaan.

J.W. de Cock