2 Corinthiërs 4:18  
daar wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig.

2 Corinthiërs 5:1    
Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. Want hierom zuchten wij; wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel over kleed te worden.

2 Corinthiërs 8 
maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen.

Inleiding:

Wanneer we gedurende het leven op de aarde slechts van het zichtbare uitgaan en dat als "zekerheid" hebben, bouwen we niet alleen op het onzekere maar ook op het tijdelijke, dat zich zal beëindigen. De zogenaamde zekerheden, die mensen op de aarde menen te hebben opgebouwd en te bezitten, zullen onzeker blijken te zijn. Dat zien we in wezen al gebeuren.

Wanneer we ten opzichte van het sterven uitgaan van wat daarna zichtbaar overblijft, het overleden lichaam dat ter aarde gedragen wordt en in de aarde vergaat, is bij ons geen hoop op het zekere. Dan komt alles te vervallen. En zij, die God niet kennen, niet in Jezus Christus geloven en geen hoop op het eeuwige hebben, kunnen niet anders dan op het zichtbare en tijdelijke zien. Ze hebben in wezen geen hoop en zekerheid. Zij, die Jezus Christus toebehoren, in Hem geloven en zichzelf en hun leven als kind van God aan Hem toevertrouwden, moeten geenszins vanuit het zichtbare leven. Ze moeten leren gelovig vanuit het onzichtbare, dat eeuwig is, te leven. Ze hebben zelfs bij het sterven hoop en zekerheid. Ze zijn zeker van wat hen naar het onzichtbare als hoop wacht.

Hebreeën 11:1  
Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoop, en het bewijs der dingen, die men niet ziet.

Het geloof heeft met de zekerheid van dingen, die men niet ziet, te maken. Er moet zelfs sprake van weten zijn. En helaas is niet bij alle kinderen Gods een weten, wat betreft de gegeven hoop bij het lichamelijk sterven. Zouden ze dat met zekerheid weten, dan zouden ze daar bij het sterven meer kracht en troost uit putten. Zouden ze bij de beëindiging van hun aardse leven verlangend uitzien naar wat hen in hemelse heerlijkheid wacht. En Gods Woord geeft in deze vaste hoop. Daar het volgende van:

In Zijn Hogepriesterlijk gebed zei Jezus Christus tot Zijn Vader, dat Hij wilde, dat waar Hij zou zijn, ook wij zouden zijn.

Joh. 17:24   
Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om Mijn heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt

Voordat Zijn meest ernstige lijden en het uur van Zijn sterven aanvingen, zei Jezus Christus in Zijn Hogepriesterlijk gebed tot Zijn Vader, dat Hij wilde, dat waar Hij zou zijn, de Zijnen, Zijn discipelen, zouden zijn om Zijn heerlijkheid te aanschouwen. De elf, die toen met Hem waren, hadden Hem leren kennen als de Man van smarten en zouden de volgende dagen getuigen zijn van Zijn offerdood als het Lam van God. Het valt te begrijpen, dat Jezus Christus wilde, dat zij, die Hem zo trouw volgden, Hem als zodanig hadden en nog zouden leren kennen, ook bij Hem zouden zijn en Hem zouden leren kennen naar Zijn verhoging en verheerlijking, die nog moesten plaatsvinden. En al op grond van Zijn woorden in deze verstaan we, dat we na het sterven met Hem zullen zijn.

Korte tijd nadat Jezus Christus Zijn Hogepriesterlijk gebed gebeden had, volgden voor Hem Zijn meest ernstige lijden en Zijn offerdood aan het kruis. Daarin onderging Hij niet alleen de lichamelijke dood. Ook de geestelijke dood. Wat Zijn ziel en geest betreft, daalde Hij neer naar de plaats van eeuwige duisternis en verlorenheid. Het dodenrijk. De plaats, waar wij gedoemd waren voor eeuwig te zijn als gevolg van onze zonden en ongerechtigheid. We stonden aan die dood schuldig. Jezus Christus daalde echter als de Rechtvaardig in onze plaats af naar die plaats. Het was plaatsvervangend.

Jezus Christus zei Zijn Vader niet alleen, dat Hij wilde, dat waar Hij zou zijn, ook de Zijnen zouden zijn. Hij maakte dat ook mogelijk. Omdat Hij plaatsvervangend naar de plaats ging, waar wij voor eeuwig hadden moeten zijn, kwamen wij er vrij van om naar een andere plaats te gaan. We hebben als kind van God daarin de zekerheid, dat we na het lichamelijk sterven, wat onze geest en ziel betreft, naar de Here gaan. Daarin moet voor ons, zoals de apostel Paulus aangaf, een weten zijn en dat in verschillende opzichten.

We weten, dat ons na het sterven geen verblijf in het dodenrijk maar in de hemel wacht.

Veel kinderen Gods vragen zich af, wat na het sterven van het lichaam met hun geest en ziel gaat gebeuren. Dalen we af naar het dodenrijk? Wacht ons een vagevuur, zoals de Rooms Katholieke Kerk dat leert? Neen! Wanneer we in en van Jezus Christus zijn, we wedergeboren zijn en ons geloof op Hem gevestigd hebben, is er door “in Christus” te ontslapen vaste hoop. Wacht ons het eeuwige.

Jezus Christus daalde niet vanwege Zichzelf en niet voor niets af naar het dodenrijk. Het was plaatsvervangend, wat Hij daarin deed. Het was om ons, kinderen Gods en dat geenszins voor niets. Omdat Hij in onze plaats naar de plaats ging, waar wij vanwege onze zonden en ongerechtigheid voor eeuwig zouden moeten zijn, kwamen wij er vrij van. Zijn wij ervan behouden. Gaan we naar een andere plaats. Varen we naar onze geest en ziel op naar hemelse heerlijkheid. Prijst God! We werden, door wat Jezus Christus voor ons volbracht in Zijn lichamelijk lijden en sterven en het naar Zijn geest en ziel afdalen in het dodenrijk, hemelburgers. We zijn voorbestemd het hemelse en eeuwige binnen te gaan.

Wanneer we als kind van God tot geestelijke volwassenheid opgroeiden, moet bij ons vaste hoop op eeuwige redding zijn en dat afgezien van wat onze omstandigheden op de aarde zijn. Wanneer het sterven nadert en plaatsvindt, zullen we het zien en ervaren als overgang naar het eeuwige, dat ons wacht. Onze vreugdevolle toekomst. Het is de bedoeling, dat we daar met zekerheid op hopen en vreugdevol naar uitzien, nu we nog leven te midden van hen, die zich andere dingen voor ogen houden. Het aardse en tijdelijke. We gaan bij het lichamelijk sterven over tot een leven vrij van alle aardse zorg en verdriet. Vrij van de tegenslagen vanwege het aardse bestaan.

We weten, dat we Jezus Christus als de Verhoogde en Verheerlijkte in hemelse heerlijkheid zullen zien.

We weten, dat de gebeden van Jezus Christus altijd verhoord worden. Dat ook wat Hij tot Zijn Vader zei ten opzichte van het Hem aanschouwen in Zijn heerlijkheid door de Zijnen. Al daaruit weten we, dat we na het lichamelijk sterven niet alleen hemelse heerlijkheid binnen zullen gaan. Ook weten we, dat we Jezus Christus zullen aanschouwen naar Zijn verhoging en verheerlijking. We zullen Hem in de hemel zien, zoals Hij na Zijn verhoging door Zijn Vader is.

We weten, dat na het lichamelijk sterven ons een gebouw van God in de hemel wacht.

2 Cor. 5:1  
Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis.

Voor kinderen Gods geldt het lichamelijk sterven als “onze aardse tent verlaten”. En wanneer de aardse tent wordt afgebroken, hebben we een gebouw in de hemel bij de Here. Een eeuwig huis. Het woord “tent” geeft aan, dat het om een tijdelijke behuizing gaat, die instort, wanneer bij het sterven de pinnen ervan worden losgemaakt. Het leven in een sterfelijk lichaam geldt voor ons als een verblijven in een aardse tent, die zal worden afgebroken. Voor het woord “gebouw” in de tekst staat naar het Engels: mansion (herenhuis). Met dat woord schilderde Paulus onze toekomstige hemelse bestaanswijze. Daarin komen we vrij van het lichaam, waarin zwakten en ziekten heersen. Een lichaam, waarin zondige begeerten heersen en waar uiteindelijk de dood voor wacht. En het lichamelijk sterven vindt plaats, zodat we naar het lichaam niet voor eeuwig deel zouden hebben aan de zonde en de gevolgen ervan. Het is maar goed, dat het leven op de aarde in zeker opzicht kort van duur is. Dat het tijdelijk is. We komen na het sterven van het lichaam tot zondeloosheid of het volmaakte en eeuwige.

Paulus schreef, dat we weten, dat ons in de hemel een gebouw van God wacht. Een gebouw niet met handen gemaakt. Een eeuwig huis. Ons wacht daarin een verblijf, dat oneindig veel beter is, dan wat we nu vanwege het verblijf in het lichaam op de aarde ondervinden.

- het zuchten, dat bij ons is

2 Cor. 5:2 
Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden

Vanuit hun zien op het onzichtbare en eeuwige ontstaat bij kinderen Gods een zuchten of haken. We verlangen ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden en daartoe het verblijf in het lichaam als aardse tent te verlaten. Het sterfelijke lichaam wordt door ons verlaten om over te gaan naar het eeuwige. Het sterfelijke wordt daarin door “het leven” verslonden. Daarom zuchten we of haken we naar.

- het is een bezwaard zuchten

2 Cor. 5:4 
Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden.

Bij ons, kind van God, is een zuchtend haken of verlangen naar het hemelse. Het is een bezwaard zuchten. Op de aarde, wat het lichaam betreft, ontkleed worden door het af te leggen, is ook voor ons geen aangename zaak. In de hemel overkleed worden is echter dat, waar we hoopvol naar uitzien. Waar we om zuchten en naar haken. Ook daarin is, dat het sterfelijke door "het leven" wordt verslonden. In dat we, om te worden overkleed met het hemelse, naar het aardse lichaam ontkleed worden, is voor ons een keerzijde aan het lichamelijk sterven. De aardse tent verlaten is ook voor ons geen aangename zaak. Het doet ons dan ook bezwaard zuchten.

We weten, dat we na het sterven “intrek nemen bij de Here”.

2 Cor. 5:8  
maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen

Wanneer we als kind van God naar het lichaam sterven eer Jezus Christus verschijnt om Zijn Gemeente tot Zich op te nemen, worden we, omdat we daarin het verblijf in het lichaam verlaten, vrijgemaakt van het aardse om “intrek te nemen bij de Here”. Zolang ons lichaam niet werd opgewekt en verheerlijkt, vindt er na het afgebroken worden van de aardse tent inwoning bij de Here plaats. Het intrek nemen bij de Here geldt als tijdelijke zaak. Het eeuwige vindt zijn voortzetting in het in de toekomst tot de opwekking en verheerlijking van het lichaam komen. En de heilige Geest bewerkt in ons zo’n verlangen naar de Here, dat het sterven valt te verkiezen boven het huidige bedreigde aardse bestaan.

We weten, dat we, zolang we in het aardse lichaam zijn, ver van de Here in de vreemde zijn.

2 Cor. 5:6 
Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het Lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in de vreemde zijn

Zolang het sterven van het lichaam en het “intrek nemen bij de Here” niet plaatsvonden, verblijven we als kind van God ver van de Here in de vreemde. We zijn dan ook vreemdelingen op de aarde. Toch zijn we vol goede moed. We hebben, ondanks de omstandigheden, waarin we tot op heden verkeren, de hoop en zekerheid, dat ons iets beters wacht. Opnieuw valt te zeggen, dat het maar goed is, dat het leven op de aarde van korte duur is. In het sterven verlaten we “de vreemde” om tot de Here te gaan. Het sterven van het lichaam geldt voor ons als poort niet alleen naar onze hemelse woning maar ook en dat in het bijzonder, tot het Jezus Christus zien van aangezicht tot aangezicht en het voor altijd met Hem zijn.

We weten, dat we naar het lichaam tot de opstanding uit de dood komen.

2 Cor. 4:14 
Immer, wij weten, dat Hij, die de Here Jezus opgewekt heeft, ook ons met Jezus zal opwekken en met u voor Zich stellen.

Toen ik jaren geleden te Hoorn een begrafenis leidde, zag ik op één van de grafstenen het volgende opschrift staan: TIJDELIJKE RUSTPLAATS. Op veel andere grafstenen stond daarentegen: LAATSTE RUSTPLAATS. Degene, die begraven ligt onder de eerst genoemde steen, gaf door het opschrift te kennen, dat er ook voor zijn/haar lichaam vaste hoop is. En er geldt ons inderdaad, ook wat het lichaam betreft, na het sterven eeuwige hoop. Ook al hoewel het lichaam mogelijk verregaand tot ontbinding komt, blijft er hoop. God is vanwege Zijn almacht, Zijn scheppende - en herscheppende kracht, bij machte zelfs uit de laatste overgebleven elementen van het lichaam, het lichaam te doen herrijzen uit de dood. En dat vindt plaats bij de eerst komende opstanding. Die van de rechtvaardigen. Daarbij zullen allen, die “in Christus” ontslapen zijn, naar het lichaam opstaan uit de dood. Ook zij, van wie het lichaam al eeuwenlang begraven ligt.

Jezus Christus kocht en betaalde ons naar geest, ziel en lichaam. Daartoe offerde Hij in Zijn lijden en sterven de meest hoge prijs. Dat niet alleen voor ons onstoffelijke. Ook voor ons stoffelijke. Het lichaam. En van wat Hij met Zijn bloed en leven duur gekocht en betaald heeft, doet Hij niets verloren gaan. Ook ten opzichte van het lichaam zal er een voor eeuwig bij of met de Here zijn volgen.

God de Vader deed Jezus Christus, Zijn Zoon, opstaan uit de dood, zoals het Oude Testament dat profetisch vooraf aangaf en het Nieuwe Testament nadrukkelijk leert. Hij heeft de dood overwonnen. Hij is, wat Zijn opstanding uit de dood betreft, ten opzichte van ons de Eerste of Eersteling. Hij is ons daarin ook tot voorbeeld. Hij zelf wist dat vooraf en getuigde daarvan. En ook omdat Zijn opstanding vooraf door oudtestamentische profeten voorzegt werd, bleef bij Zijn lijden en sterven deze belofte als Zijn hoop gelden. Hij zag daarin gelovig op dat, wat toen onzichtbaar was. En het toen voor Hem onzichtbare bleek het eeuwige te zijn. Hij leeft nu tot in alle eeuwigheid in en naar het voor ons onzichtbare.

God de Vader zal ook ons, wanneer we als kind van God “in Christus” opslapen, naar het lichaam doen opstaan uit de dood. We weten dat eveneens vooraf. Bij al ons lijden en bij sterven moet dat onze hoop zijn. We moeten hoopvol uitzien naar het voor ons onzichtbare. Het voor ons onzichtbare en door God in Zijn Woord ons beloofd, zal voor ons het eeuwige blijken te zijn. Ook wat het lichaam betreft, zullen we tot in alle eeuwigheid leven.

Wanneer we “in Christus” ontslapen eer Jezus Christus verschijnt voor de opname van Zijn Gemeente, worden we daarin vrijgemaakt van het aardse lichaam om intrek te nemen bij de Here. Dat geldt als tijdelijke zaak. Voor ons vindt het eeuwige zijn voortzetting in het opgestane en verheerlijkte lichaam. Dat vangt aan op het moment, dat Jezus Christus verschijnt voor Zijn Gemeente en de opstanding van het lichaam van de rechtvaardigen plaatsvindt.

De Gemeente bestaat uit hen, die "in Christus" ontslapen zijn en zij, die Hem toebehoren en nog in leven zijn. Van de beide groepen schreef Paulus het volgende in zijn eerste brief aan de Thessalonicenzen.

1 Thes. 4:15 
Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht en zo zullen wij altijd met de Here wezen.

Het eeuwige houdt voor hen, die van en in Jezus Christus zijn, in, dat ze niet alleen naar het onstoffelijke maar ook naar het stoffelijke, het lichaam, voor eeuwig met de Here zullen zijn. Naar het onstoffelijke nemen we na het sterven “intrek bij de Here”. Naar het stoffelijke zal er vereniging met Hem zijn, wanneer Hij het lichaam tussen de andere doden uit doet opstaan om voor eeuwig met Hem te zijn. En omdat Jezus Christus ons naar geest, ziel en lichaam kocht met Zijn kostbaar bloed en leven, zullen we ook naar het lichaam voor eeuwig met Hem zijn.

Wanneer we geestelijk opgroeiden, behoort bij ons vaste hoop op het eeuwige en dat onder al onze omstandigheden, te zijn. Wanneer het sterven nadert en plaatsvindt, zullen we het dan zien en ervaren als overgang naar het eeuwige, dat ons wacht?

Onze eeuwige toekomst is vreugdevol. Daar hopen we met blijdschap op, alhoewel we leven te midden van hen, die zich andere dingen voor ogen houden. We gaan bij het lichamelijk sterven over tot een leven vrij van angst, zorg en verdriet. Vrij van de tegenslagen vanwege het aardse bestaan.

Het eeuwige houdt in, dat we niet alleen naar het onstoffelijke maar ook naar het stoffelijke met de Here zullen zijn. Naar het onstoffelijke nemen we na het lichamelijk sterven “intrek bij de Here”. Naar het stoffelijke is er de vereniging met Hem, nadat het lichaam tussen de andere doden uit is opgewekt en we ook naar het lichaam voor eeuwig met de Here zullen zijn.

J.W. de Cock