Opdragen
Het opdragen van kinderen, zoals in onze gemeenten gebruikelijk is, vinden we in de Bijbel niet terug. In het Oude Testament werden jongetjes besneden en daarmee gebracht in het verbond dat God met Abraham gesloten had.
De besnijdenis is het teken van het verbond dat God met zijn volk Israël wilde sluiten. Dat was een aards verbond met aardse zegeningen. De besnijdenis was geen teken van behouden zijn, alleen een teken dat iemand behoorde tot Gods aardse volk.
De kinderdoop, in plaats van deze besnijdenis, is ontstaan uit een verkeerde gedachte n.l. dat de gemeente in de plaats is gekomen van het verstrooide volk Israël. Dat zij daarom in het verbond gebracht moeten worden.
Maar Gods verbond met Abraham is niet bestemd voor andere volken. En als de doop in plaats van de besnijdenis gekomen is, dan heeft het niet meer betekenis dan dat iemand tot Gods volk behoort.
In het Nieuwe Testament, bij het ontstaan van de gemeente, is alleen de doop op grond van het geloof een bijbels gegeven. Door het geloof is iemand behouden!
Waarom dan kinderen opdragen?
Van oorsprong was het zo, dat de eerstgeboren zoon voor God afgezonderd moest worden. God had, na de tiende plaag in Egypte, ook recht op hún oudste zoon, die ontkomen was door het bloed van het lam, na het Pascha.
En God vraagt er om:
“ de Here sprak tot Mozes: Heilig Mij alle eerstgeborene, die onder de Israëlieten het eerst uit de moederschoot voortkomen, zowel van mens als van dier; zij zijn Mijn eigendom....Gij zult al wat het eerst uit de moederschoot voortkomt, de Here wijden.” (Ex. 13:1,2 en 12)
Daarmee eist God de eerstgeborenen op als een offer, terwijl Hij beslist geen mensenoffer wil, en verbindt Hij daar een andere regel aan.
“ieder menselijke eerstgeborene onder uw zonen echter zult gij lossen.” (Ex.13:13)
De eerste zoon werd “losgekocht” als hij één maand oud was tegen een bedrag van 5 sikkels, maar hij bleef wel bestemd voor de dienst van God. Beschikbaar voor de priesters.
alles, wat het eerst uit de moederschoot voortkomt van al wat leeft, hetgeen zij de Here aanbieden, zal voor u zijn.” ( Num. 18:15 )
God zegt tegen de priesters: Het zal voor jullie zijn, beschikbaar, geheiligd…apart gezet. Toch heeft God daar verandering in gebracht.
“Toen sprak de Here tot Mozes: Neem de Levieten in plaats van alle eerstgeboren- en onder de Israëlieten…opdat de Levieten Mijn eigendom zijn.”(Num.3:44,45)
Nadat God, in de woestijn, zijn wet en zijn voorschriften gegeven had, heeft God meteen deze verandering ingezet.
“Toen zonderde de Here de stam der Levieten af om de ark van het verbond des Heren te dragen, vóór de Here te staan om Hem te dienen, en in Zijn naam te zegenen tot op deze dag.” (Deut. 10:8)
“Want de Here, uw God, heeft hem uit al uw stammen uitverkoren, opdat hij voor de  Here zou staan en dienst zou doen in Zijn naam, hij en zijn zonen, altijd door…” (Deut:18:5)
Zij namen de plaats in van alle eerstgeborenen, die gelost waren, in dienst van God. Maar de eerstgeborenen werden wel naar de tempel gebracht en de Here aangeboden. In die betekenis werd ook Jezus naar de tempel gebracht, als eerstgeborene…
“En toen de dagen hunner reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem de Here voor te stellen, gelijk geschreven staat in de wet des Heren: Al het eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Here, en om een offer te brengen…” (Luc. 2:22,23)
Dát gebruik, dat aanbieden aan God, is overgenomen in het opdragen aan God. Onze kinderen willen wij God beschikbaar stellen, ze aan God voor te stellen, zoals Jeshoea beschikbaar gesteld werd toen ze Hem in de tempel brachten.
Het Griekse woord παριστημι...par-istēmi, wat in de NBG-vertaling wordt weergegeven door “voorstellen” en in de NBV met “aanbieden”, betekent letterlijk iets van:
Zetten naast…
In bewaring geven bij…
Ten dienste stellen van…
Zo, volgens deze laatste betekenis, gebruikt Paulus dit woord ook o.a. in de Romeinenbrief:
“en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God... en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God.” (Rom. 6:13-19)
Naar de wet werden alle eerstgeborenen ten dienste van God gesteld. Wat daarvan in het leven zichtbaar werd is niet zo heel duidelijk. Vaak was er een speciale roeping voor nodig, om in dienst van God te gaan staan, zoals bij Simson.
Hoe letterlijk hebben Hanna en Elkana hun eerstgeborene ten dienste van God gesteld, opgedragen, beschikbaar gesteld, toen zij hun zoon Samuël naar de tempel brachten.
Dat is ook onze intentie. Dat is ook ons verlangen om ons kind, en niet alleen de eerste, in de dienst van God aan te bieden. Er mee instemmen dat God hem of haar mag gebruiken.
Dat aanbieden…dat aanbevelen…dat opdragen, doen we in het midden van de gemeente, zoals Jozef en Maria dat ook deden met Jezus, in de tempel. De gemeente mag het weten, want in het opdragen ligt het verzoek of de gemeente wil helpen. Helpen om ons kind groot te brengen, op te voeden, bekwaam te maken tot die bediening.
“... om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus...” (Ef. 4:12,13)
Misschien moeten we dat onze kinderen heel duidelijk voorhouden, dat wij ze aan de Here hebben opgedragen. Hen aan God hebben aangeboden…in Gods dienst hebben aanbevolen.
Dan is de keus uiteindelijk aan hem of haar. Dan mag hij of zij dat later laten zien als hij of zij zich wil laten dopen en bereid is tot deze dienst aan Christus Jeshoea, waar hij of zij voor opgedragen is.
Opdragen.....aan God en aan de gemeente. Niet omdat het in de Bijbel staat, niet omdat Jeshoea het ons geleerd heeft, maar omdat wij dat zo graag willen. Voorstellen aan God én voorstellen aan de gemeente.
Daarom dragen wij alleen de pas geboren kinderen op die bij de plaatselijke gemeente horen.
J.P. van der Wolf